
Nadat wij ons interne griepgolfje overleefd hadden, lag de oproep voor de griepprik alweer op de mat en werden we weer met de neus op de feiten gedrukt dat we zestigplussers zijn. Nu waren de griepverschijnselen van de dame hier in huis een stuk erger dan die van mij en daarom was mijn respect voor haar weer behoorlijk gestegen.
Of beter gezegd, het respect was er altijd al, maar nu even vetgedrukt zeg maar.
Toen zij mij vertelde dat ze naar een kledingzaak in Friesland wilde (iets met nieuwe wintercollectie), vroeg ik vanuit dat respect voor haar, of ze het misschien leuk zou vinden als ik met haar mee zou gaan. Ik vroeg dat ook een beetje uit schuldgevoel, omdat wanneer ze hier lokaal ging shoppen en dan vroeg of ik meeging, ik dan met allerlei smoesjes kwam. Nu vond ik dat ik dit moment moest pakken om maar weer eens mee te gaan. Gewoon, gezellig, met zijn tweetjes. Even dacht ze dat ik een grapje maakte, maar ik bleef in mijn rol waardoor ze het geloofde:
“Echt? Leuk, ja! Gezellig!”
Het was natuurlijk een schot voor open doel, maar ik meende het echt. Ondanks dat ik ook wist wat me dan te wachten stond, omdat ik daar al eens eerder met haar geweest was. Maar dat was alweer enkele jaren geleden. Daarentegen laat zij het altijd toe dat ik achter het stuur zit in de auto. En ze gedoogt dat ik de afstandsbediening bedien tijdens onze streamingavondjes.
Liefde is… dan ook eens met haar gaan winkelen.
Nadeel was wel dat we dan door het land van de omgekeerde Nederlandse vlaggen moesten rijden. Dat blijft voor mij een doorn in het oog en het is ook niet origineel meer. Waarom geen eigen vlag? Zoals de Waddenbewoners. Die hebben een eigen vlag gemaakt om te strijden tegen de beperkingen die de overheid hen op wil leggen, de inmiddels overbekende blauwwitte vlaggen met de tekst: Vrije Vogels, Vrije Mensen. Ik begrijp ook niet waarom je die boerenzakdoek-vlag nergens meer ziet?
Dat was pas goed bedacht!
Samen met een zeer opgewekte vrouw parkeerden we bij het modehuis. De drie uur vrij parkeren baarde mij wel zorgen, maar ik stelde mijn telefoon in op twee uur en vijfenveertig minuten. Voor het geval dat mijn zorgen bevestigd zouden worden, de dame kennende. Bij de ingang stond, althans, dat was mijn eerste gedachte, een jongetje dat eruitzag als Abeltje. Deze keer niet in een rood piccolopakje, maar in een groene versie. Toen hij de deur voor ons opende met de bijbehorende vriendelijkheid, kon ik het niet laten hem te waarschuwen: “Niet op de groene knop drukken, hoor!”
Hij begreep mij niet.
We lieten het er maar bij en passeerden deze generatiekloof. Vrouwlief wees mij de weg. We liepen een trap op en ik bevond mij ineens in een eet- en drinkgelegenheid. “Ga hier maar zitten en neem maar een lekker bakje koffie. En je mag er best wat lekkers bijnemen hoor.” Dat vond ik niet raar, want dit hoorde bij de tactiek die zij bedacht had, opgedaan tijdens eerdere bezoeken. Want deze modezaak is zo overweldigend dat ze eerst zelf een rondje ging lopen. Zonder mij, want dan was de kans groot dat ze zenuwachtig werd van mij.
Ik snap dat.
Want het kan voor de man best wel afzien worden wanneer de vrouw kleding gaat bekijken. Het komt er dan eigenlijk op neer dat zij dan geen aandacht meer heeft voor haar partner, waardoor deze zich steeds meer alleen en ongelukkiger gaat voelen. Opvallend was in deze winkel dat vanaf het moment dat ik Abeltje gepasseerd had de een na de andere vrouw, jong en oud, mij heel vriendelijk begroette. Daar vond ik wat van als man zijn van de vrouw die mij de weg wees naar de ballenbak.. eh.. naar het tafeltje waar ik even gezellig kon gaan zitten.
Met een kopje koffie.
Aan de andere kant ben ik ook wel realistisch genoeg dat die dames mij begroeten, omdat dat nu eenmaal een van hun taken is. Zodat de klant tevreden de winkel verlaat, natuurlijk met volle tassen aan kleding. En ik weet niet of ik nu voor alle mannen spreek, maar winkelen in een modezaak met je partner is ook een best wel vermoeiende bezigheid. Dat herinnerde ik me nog wel uit eerdere bezoeken aan dit soort winkels. Op een gegeven moment pak ik elke mogelijkheid aan om even een rustmoment te nemen door even tegen een pilaar aan te leunen of aan een kledingrek vol bloesjes te hangen. Totdat er een vrouw aan de bloesjes in dat kledingrek gaat grabbelen. Dan loop ik snel naar een andere, veilige en zo min mogelijk opvallende plek.
Om mij daar mezelf af te vragen waarom die vrouwen overal even aan moeten zitten.
Niet veel later zat ik aan een heerlijk bakje koffie zonder wat erbij. Ik nam genoegen met het mini kokosmakroontje dat naast het koffiekopje lag. Ondertussen genoot ik van de man die allerlei bekende deuntjes op zijn saxofoon aan het spelen was, kennelijk ingehuurd om de boel wat op te leuken.
Misschien wel speciaal voor de mannen die even beziggehouden moesten worden.
Na een klein uurtje kwam vrouwlief terug. Ze vroeg of ik mee de winkel in wilde, want ze had her en der wat gezien en gepast. Nu was het aan mij om er een klap op te geven. Tijdens de omkleedminuten die daarop volgden, hing of leunde ik tegen de hierboven eerder besproken hangplekken. Tot ik werd aangesproken door een dame met een karretje, met daarop van die metalen gastronoombakken die gevuld waren met onder andere olijven, borrelnoten, stukjes komkommer en andere gezellige, eetbare dingetjes. Of ik wat wilde gebruiken.
Ik sloeg bedeesd af.
Eten doe ik thuis. Of in een restaurant. Niet in een kledingwinkel. Gelukkig redde mijn vrouw mij. We liepen weer verder door de winkel en ik sprak mijn (oprechte!) goedkeuring uit over de jas die ze wilde kopen. De broek die zij mij daarna toonde kwam niet door de ballotagecommissie, maar dat gaf niet; dat had ze ingecalculeerd.
Die haalde ze elders.
We liepen nog net binnen de parkeertijd de winkel uit en de saxofonist begon voor de derde keer die middag zijn repertoire weer van voren af aan te spelen.









































































